Kleine boom of struik, tot 12 m hoog, meestal met gedraaide stam. Jonge twijgen lang behaard.
Schors grijsachtig tot grijsbruin, ondiep gegroefd.
Bladeren eirond of breed ovaal, donkergroen aan de bovenkant, grijs viltig behaard aan de onderkant, met enigszins golvende of onregelmatig gezaagde rand.
Mannelijke katjes eerst zilverachtig, later met gele meeldraden, ca. 2 cm lang. Vrouwelijke katjes 3-7 cm lang.
De boswilg is net als alle wilgen, tweehuizig, dwz dat een boom alleen mannelijke of vrouwelijke katjes heeft, nooit beide.
Ook 'Waterwilg' genoemd. Groeit op vochtige bodem in heel Europa.
Nogal variabele soort.
Fam: Salicaceae

Tekst |
Fotografie |
Pictogrammen |
Website |
| José Langens | José Langens | Mark Wijnmaalen | Lisette Langens |
| Mark Wijnmaalen | Edwin Steenwinkel | ||
| Lisette Langens | |||
| Jac Smout | |||
| Ger Bogaers |